Springer Nature is making SARS-CoV-2 and COVID-19 research free. View research | View latest news | Sign up for updates

De ontwikkeling van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

  • 22 Accesses

This is a preview of subscription content, log in to check access.

Literatur

  1. 1)

    Niettemin is er—in principe—een aanmerkelijk verschil tussen de besluitvorming in een bestuurscollege, welks leden hoofdelijk hun stem uitbrengen, en de totstandkoming van een overeenkomst tussen een aantal organisaties, omdat, zoals wij reeds in de tekst opmerkten, in het eerste geval de organisaties niet worden gebonden. Het scherpst doet dit onderscheid zich gevoelen bij de vraag, in hoeverre in de toekomst loonverordeningen in de plaats zullen treden van de collectieve arbeidsovereenkomsten, welke weliswaar een collectieve regeling geven, doch waarin ook het karakter van wederkerige overeenkomst sterk spreekt.

  2. 2)

    Voor wat de confessionele organisaties betreft uiteraard in het licht van de levensbeschouwing, waarop zij stoelen.

  3. 3)

    Worden de onderwerpen van autonome verordenende bevoegdheid niet overgelaten bij de wet, doch bij algemene maatregel van bestuur, dan moet bij aanwijzing een keuze worden gemaakt uit de lijst van onderwerpen, die is opgenomen in art. 93, tweede lid, van de wet. Deze lijst is echter zo uitgebreid, dat zij nauwelijks een materiële beperking betekent.

  4. 4)

    Gevoegd bij het wetsontwerp tot instelling van een productschap voor vee en vlees, zitting 1953/54, No. 3343 (stuk no. 4).

  5. 5)

    Inmiddels heeft de regering in haar Memorie van Antwoord (blz. 3) bij het in de tekst genoemde wetsontwerp — naar mag worden aangenomen in overeenstemming met de bedoelingen van de Sociaal-Economische Raad — medegedeeld, dat de uitzondering alleen de bepaling van de quantitatieve omvang van de uitvoer betreft. Leverings- en betalingsvoorwaarden b.v. vallen in die opvatting niet buiten de autonome regelende bevoegdheid.

  6. 6)

    De bevoegdheid tot het stellen van maximumprijzen wordt hier buiten beschouwing gelaten. Het hanteren hiervan zal slechts bij hoge uitzondering door de bedrijfslichamen worden gewenst.

  7. 7)

    Met betrekking tot de in de tekst uiteengezette gedachtengang over de toekenning van de bevoegdheid tot het stellen van prijzen wordt wel de tegenwerping gemaakt, dat privaatrechtelijke prijsafspraken hier te lande toch in beginsel ongemoeid worden gelaten. Deze tegenwrping is o.i. niet juist. Een van overheidswege uit te vaardigen verbod eist een andere motivering dan het creëren van een publiekrechtelijke bevoegdheid: in het eerste geval moet de ontoelaatbaarheid van de betrokken practiik, in het tweede—zodra het om meer gaat dan de „eigen huishouding” van het betrokken bedrijfslichaam—in beginsel de wenselijkheid van de bevoegdheid worden aangetoond. Dat dit laatste in bepaalde gevallen met betrekking tot prijzen mogelijk zal zijn, ontkennen wij uiteraard geenszins. het vraagstuk van de betekenis van de bedrijfsorganisatie voor de kartellering blijft overigens onbesproken. Enkele aspecten daarvan willen wij echter in het kort aanduiden. Omzetting van kartelregelingen in voorschriften van bedrijfslichamen is slechts denkbaar voor kartels, die een gehele bedrijfstak omvatten. Afgezien van de vraag, of hiertoe veel bereidheid aanwezig zal zijn—hetgeen waarschijnlijk mede zal afhangen van de macht van het kartel—kan worden gewezen op enkele moeilijkheden, die zich in een aantal gevallen bij de vervanging van een privaatrechtelijke door een publiekrechtelijke mededingingsregeling zullen voordoen. Zo is de besluitvorming van de bedrijfslichamen op uniforme wijze in de Wet op de Bedrijfsorganisatie geregeld; in de kartels is zij dikwijls afgestemd op de bijzondere machtsverhoudingen tussen de aan de regeling medewerkende ondernemingen. De kartels vertonen voorts in een aantal gevallen verticale aspecten, zonder dat de voorafgaande of volgende geleding. die de invloed van de regeling ondergaat, bij de besluitvorming wordt betrokken. Bij regeling door bedrijfslichamen zal deze figuur in de regel niet kunnen worden aanvaard. Ten slotte kan er op worden gewezen, dat in de kartels veelal overtredingen op andere wijze worden berecht en andere sancties worden toegepast (b.v. tevoren vastgestelde boeten; uitsluiting) dan bij overtredingen van voorschriften van bedrijfslichamen mogelijk zal zijn.

  8. 8)

    Op een ander aspect van dit probleem is reeds gewezen aan het slot van § 5.

  9. 9)

    Deze vraagstukken zijn behandeld in het advies, dat de commissie voor Landbouw en Voedselvoorziening van de Sociaal-Economische Raad op 10 April 1954 aan de Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening heeft uitgebracht inzake het vraagstuk der kwaliteitsregeling van landbouwproducten. Uit het advies blijkt, dat er ook een sterke stroming is, die kwaliteitsregelingen bij voorkeur zou willen doen treffen door productschappen. Algemeen is verder erkend, dat op het onderhavige gebied ook ruimte voor optreden van de centrale overheid zal blijven bestaan.

Download references

Rights and permissions

Reprints and Permissions

About this article

Cite this article

Balkenstein, G.J., Vermaas, E.A.V. De ontwikkeling van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. De Economist 102, 584–623 (1954). https://doi.org/10.1007/BF02206091

Download citation