De Economist

, Volume 66, Issue 1, pp 370–400 | Cite as

Een nieuw werk van oppenheimer

  • A. Spanjer
Article
  • 14 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literature

  1. 1).
    Nadrukkelijk zij opgemerkt, dat hier slechts enkele punten naar voren worden gebracht, geen aanspraak op volledigheid wordt gemaakt.Google Scholar
  2. 1a).
    Om deze redenen achten wij ook het in toepassing brengen van de door den heer Mr. Troelstra op 25 Jan. 1917 in de vergadering van de Tweede Kamer ontwikkelde denkbeelden geen waarborg voor een eeuwige vrede.Google Scholar
  3. 2).
    Men lette op de weifelende manier van uitdrukking van den anders zoo kernachtig formuleerenden O.Google Scholar
  4. 3).
    O's historisch bewijs voor zijn hoofdstelling (zie het historische deel van zijn „Grossgr.») achten wij niet voldoende klemmend. Die hoofdstelling kan o.i. enkel deduktief, niet inductief-historisch worden bewezen. (Verg. Pierson, Verspreide Geschriften, I De logica der Staathuishoudkunde, Leerboek I blz. 39 vlg.) O's historische uiteenzettingen beschouwen wij enkel als belangwekkende illustratie.Google Scholar
  5. 1).
    Dat het grootgrondbezit historisch veelal door niet-economische krachten (geweld, oorlog etc.) is ontstaan en dat het theoretisch niet, als enkel uit economische krachten ontstaan, kan worden verklaard, geven we O., zooals reeds gezegd, toe.Google Scholar
  6. 5).
    Gelijk bekend, voert v. B. B. voor deze merkwaardigheid drie redenen aan:a. Verschil in verhouding tusschen behoefte en voorraad in heden en toekomst.b. Onderschatting der toekomstige behoeften en der middelen tot bevrediging daarvan.c. Tegenwoordige goederen zijn om technische redenen meestal betere middelen tot behoeftebevrediging en hebben daarom hooger grensnut. a en b werken kumulatief; a en c en b en c alternatief.Google Scholar
  7. 6).
    Nadat dit artikel was afgedrukt, namen we kennis van het uitstekende boek van Prof. E. Sachs, Kritische Studiën Der Kapitalzins, die juist op het psychologisch uitgangspunt van v. B. B. een krachtigen aanval doet. Hij erkent geen der hierboven genoemde „drie redenen». Tot onzen spijt konden wij in ons artikel met de kritiek van Sachs geen rekening houden.Google Scholar
  8. 7).
    Die stellingen luiden: 8. Der absolute immanente Wert der Productie beruht nicht auf der in ihnen verkörperten Arbeitszeit, sondern auf dem in ihnen verkörperten Arbeitswert. 9. Wo kein Monopol besteht, d. h. unter völlig freier Konkurrenz kann kein Mehrwert entstehen. 10. Mehrwert entsteht immer dort, und nur dort, wo ein Monopol, d. h. wo zwischen Kontrabenten ein Monopol-Verhältnis besteht.Google Scholar
  9. 7a).
    Dat V. met. v. B. B.'s grondstelling zoo weinig rekening houdt, is om twee redenen merkwaardig. In de eerste plaats omdat hij de juistheid van v. B. B.'s psychologisch uitgangspunt toegeeft, in de tweede plaats omdat O.'s voornaamste voorlooper E. Dühring in zijn Cursus der National- und Socialökonomie van 1876 (2e Auflage blz. 177) zich niet zonder waardeering over de tijdagio-theorie der rente uitliet. Merkwaardig is ook dat v. B B. zulks in zijne „Geschichte und Kritik» niet vermeldt.Google Scholar
  10. 8).
    De lezer houde ons ten goede, dat wij, gemakshalve, Robinson in den geldvorm laten rekenen.Google Scholar
  11. 9).
    En ook dàt nog niet geheel en al. Want het normale inkomen van den grensboer in O's normale maatschappij bestaat niet alleen uit loon.Google Scholar
  12. 10).
    Aldus ook Schumpeter in zijn bespreking der Th. in Zeitschrift für Volkswirtschaft etc. 1913 bl. 797 vlg.Google Scholar
  13. 10a).
    Ten bewijze hiervan gelde O.'s kritische bespreking van het door v. B. B. ten gunste zijner „Agio- und Eskomptetheorie» aangevoerde feit, dat een eeuwige rente voor een betrekkelijk geringe geldsom wordt gekocht. O. werpt tegen, dat in de kapitalistische maatschappij nimmer een eeuwige rente wordt verkocht, maar dat ze alleen tegen een andere rente van gelijke waarde door tusschenkomst van het geld wordt ingeruild. En wanneer bij uitzondering de statische geldprijs door een lichtzinnigen kapitalist voor allerlei andere doeleinden wordt gebruikt, is toch geen eeuwige rente verkocht, maar volgens O. enkel haar zakelijk substraat. Wij verklaren deze kritiek niet te begrijpen. Is het door O. erkende feit, dat een eeuwige rente op een bepaalde geldsom wordt gewaardeerd, niet juist het bewijs voor van B. B.'s stelling, dat toekomstige genietingen in het heden niet op hunne volle toekomstige waarde worden geschat. Anders zon een eeuwige rente in het heden een oneindig groote geldsom moeten kunnen opbrengen.Google Scholar
  14. 11).
    Wij ontleenden het volgende aan de vroeger genoemde brochure van Prof. Cohen.Google Scholar
  15. 12).
    Deze redeneering, steunende op een uiteenzetting van de belangenharmoni der „koopers» en van het belangen-antagonisme der „verkoopers» is een van O.'s belangrijkste bijdragen tot de theoretische economie.Google Scholar
  16. 13).
    Men verg. hierbij E. Howard, Garden cities of to-morrow.Google Scholar
  17. 14).
    Zoo neigen wij tot de meening, dat het probleem „Macht oder ökonomisches Gesetz» door von B. B. op bl. XVI vlg. van het „Vorwort zur dritten Auflage der Positive Theorie» en in Zeitschrift für Volkswirtschaft etc. XXIII 1914 aan de orde gesteld, door O. op zeer bevredigende wijze is behandeld. Zie ook Wert und Kapitalprofit bl. 121, bl. 129 vlg.Google Scholar
  18. 15).
    In dit verband zij opgemerkt dat Clark's poging tot rechtvaardiging der tegenwoordige maatschappelijke orde (Distribution of Wealth) ons jammerlijk schijnt te zijn mislukt.Google Scholar
  19. 16).
    De daar geciteerde polemiek van Graziani tegen Loria treft —voor zoover wij konden nagaan—O.'s theorie niet.Google Scholar
  20. 17).
    Wellicht het meest klemmend als volgt uit te drukken: Gegeven een bepaalde maatschappij, met bepaalde bevolking, techniek, kapitaal-en verbruiksvoorraden etc., zal, juist op gronden aan v. B. B. te ontleenen, de rente des te lager zijn, naarmate de voorraad „tegenwoordige goederen» gelijkmatiger is verdeeld. Aldus ook, implicite Prof. C. van Vollenhoven in Stelling 8 achter zijne dissertatie (Omtrek en Inhoud van het internationale recht. Leiden 1898): „Hoe gelijkmatiger de rijkdomsverdeeling, des te grooter de voortbrenging». „Implicite». De grootere voortbrenging toch is weer gevolg van de door de gelijkmatiger rijkdomsverdeeling veroorzaakte lagere rente.Google Scholar
  21. 18).
    Het niet rekening met de monopoliseering van den grond is oorzaak dat het artikel van Prof. Dr. C. A. Verrijn Stuart in de Economist van 1892: „Eenige opmerkingen over Ricardo's pachtleer», ons niet geheel kon bevredigen.Google Scholar
  22. 18a).
    's-Gravenhage, 8 December 1916.Google Scholar

Copyright information

© De Nederlandsche Boek- En Steendrukkerij 1917

Authors and Affiliations

  • A. Spanjer

There are no affiliations available

Personalised recommendations