Springer Nature is making SARS-CoV-2 and COVID-19 research free. View research | View latest news | Sign up for updates

De Hollandsche Graanhandel en Graanhandelspolitiek in de Middeleeuwen

  • 32 Accesses

  • 4 Citations

This is a preview of subscription content, log in to check access.

Literature

  1. 1)

    In de oudere Middeleeuwen namen deze storingen vaak het karakter van een hongersnood aan; tengevolge van verbetering van den landbouw en eenige vooruitgang van den handel, voornamelijk den graanhandel, kwamen sinds de 13e eeuw echter voor West-Europa betere toestanden; in het Oosten daarentegen nam het aantal lijdensjaren nog toe. Vgl. F. Curschmann, Hungersnöthe im Mittelalter (Leipzig, 1900), p. 41 vlg.

  2. 1)

    Zie hiervoor: G. Wiebe, Zur Geschichte der Preisrevolution des XVI und XVII Jahrhundert (Leipzig, 1895), vooral p. 183 vlg.

  3. 2)

    T. a. p., Zie hiervoor: G. Wiebe, Zur Geschichte der Preisrevolution des XVI und XVII Jahrhundert (Leipzig, 1895), vooral p. 220 vlg.

  4. 3)

    Veel gegevens omtrent de beweging der prijzen in het algemeen en voor dit verschijnsel in het bijzonder zijn voor ons land nog niet verwerkt, hoewel het materiaal in rekeningen enz. opgetast ligt. Voor de Middeleeuwen van belang zijn: J. A. Sillem, Tabellen van marktprijzen van granen te Utrecht in de jaren 1393 tot 1644 (Versl. Kon. Acad., afd. Letterk. Nieuwe Reeks, dl. III no 4) en Posthumus, Geschiedenis, tabel VIII (prijzen van levensmiddelen 1395–1574).

  5. 1)

    In 1438 bv. (zie de tabel bij Posthumus, t. a. p., p. 434) liep de prijs der tarwe, door het Leidsche Cathrijnengasthuis ingekocht, die in 1435 en 1436, goedkoope jaren, 10–12 groot had bedragen, van 171/2 tot 35 groot op; in 1545 bedroeg ze 36, in 1546 steeg ze tot 59 en daalde in 1547 tot 23 groot; in 1557 komt naast een prijs van 34 groot een van 74 groot voor, terwijl zij het volgend jaar slechts 22 groot bedroeg. Een aardige illustratie van dit verschijnsel vinden wij ook in het stuk, dat in het Amsterdamsch Jaarboekje van 1897 (p. 30) is afgedrukt; heel betrouwbaar schijnen ons overigens deze cijfers niet. Volgens deze mededeeling zou in 1547 een last rogge 56 goud gulden hebben gegolden; in 1548 kon men voor nog iets minder geld bovendien nog krijgen: 1 last tarwe, 1 last haver, 1 last gerst en nog tal van andere, tesamen 26, artikelen! Se non è vero ..., toch geeft het een denkbeeld van de mogelijk geachte schommeling der prijzen.

  6. 2)

    Voor de Utrechtsche tarweprijzen zet de beweging, die daarna meer gelijkmatig verloopt, iets eerder (in 1548) in. Vgl. Sillem, t. a. p., tabel III.

  7. 3)

    Curschmann, t. a. p., p. 154, 176, 198.

  8. 4)

    T. a. p., p. 208 vlg.

  9. 1)

    „Caritas refrigescens”; H. G. Hamaker, Historische aanteekeningen uit het Memoriale fautorum Sancti Pancratii te Leiden, 1367–1408. (Nijhoff's Bijdragen, Nieuwe Reeks, dl. VI), p. 129, 134.

  10. 2)

    Zie bijlage II, nos 1 en 2.

  11. 3)

    Bv. Leiden (W. S. Unger, Middeleeuwsche ordonnantiën enz. van Leiden betreffende de levensmiddelen (Verslagen Rechtsbronnen II p. 628); Dordt (Klepboek 1438–1474 f. 6); Gouda (J. Heinsius, De financiën der stad Gouda in de 15e eeuw (Nijhoff's Bijdragen, IV, 3 p. 328)) en Hoorn (Velius, Chroniek, p. 31).

  12. 4)

    Zie van Limburg Brouwer, Boergoensche Charters, p. 37 en bijlage II no 4 vlg.

  13. 5)

    Boergoensche Charters, p. 38.

  14. 1)

    T. a. p., Boergoensche Charters, p. 40.

  15. 2)

    T. a. p., Boergoensche Charters, p. 45–48, 50, 52.

  16. 3)

    Zie boven, p. 342.

  17. 4)

    Het archief van het Hof van Holland, dat voor en na dezen tijd zulke waardevolle gegevens voor de landsheerlijke graan- en duurtepolitiek heeft opgeleverd, vertoont, jammer genoeg, voor de jaren 1468–1513 een lacune. Zie echter voor 1481: bijlage II, no 14.

  18. 1)

    Zie boven hoofdst. I.

  19. 2)

    Vooral die van Leiden, zie: Posthumus, Geschiedenis, I p. 388 vlg. en C. Ligtenberg, De arinezorg te Leiden tot het einde van de 16e eeuw ('s-Gravenhage, 1908), p. 294 vlg.

  20. 3)

    't Boecxken van den 3 pausen, bij P. Frédéricq, Het Nederlandsche proza in de 16e eeuwsche pamfletten uit den tijd der beroerten (Brussel, 1908) p. 35 vlg.

  21. 1)

    Häpke, Akten, I no 800.

  22. 2)

    Graswinckel, Placcaetboeck, p. 48.

  23. 1)

    T. a. p. Graswinkel, Placcaetboeck, p. 41 vlg.

  24. 2)

    T. a. p. Graswinckel, Placcaetboeck, p. 46 vlg. In Haarlem was bevonden 180 last 4 zakken (de brouwers hadden wekelijks 15 last, de burgerij 25 last noodig); in Enkhuizen 217 last rogge en 4 last tarwe; in Hoorn, waar dagelijks de bewoners van 26 dorpen zich kwamen voorzien, 3331/2 last rogge en 151/2 last tarwe; in Edam 223 last rogge, in Monnikendam 285 last, te Broek 25 last.

  25. 3)

    Vroedschapsresoluties (Gemeente-archief Amsterdam), I f. 151.

  26. 4)

    Vgl. Häpke, t. a. p. Häpke, Akten, I no 798.

  27. 5)

    Zie Register van der Goes 25 November 1556. Voor het advies van Leiden, zie: Unger, Ordonnantiën enz., p. 638.

  28. 1)

    Graswinckel, Placcaetboek, p. 71 vlg.; bijlage II no 58.

  29. 2)

    Vroedschapsresoluties, I f. 153vs en Keurboek F. f. 28vs. Ook daarna is het herhaaldelijk verkrijgbaar gesteld, zie Vroedschapsresoluties, passim.

  30. 3)

    Een andere opgave uit denzelfden tijd noemt 3300 last (Häpke, t. a p., no 797); een opgave in de Vroedschaps-resoluties (I f. 158vs.) spreekt van hoogstens 2000 last; de cijfers loopen dus nog al uiteen.

  31. 1)

    Op haar verzoek was aan Antwerpen de uitvoer van het voor de afkondiging van het verbod gekochte graan toegestaan, voor zoover het „sans grande discommodité ou cryerie de ceux de dela” (Holland) kon geschieden, Häpke, I no 805.

  32. 2)

    T. a. p. Op haar verzoek was aan Antwerpen de uitvoer van het voor de afkondiging van het verbod gekochte graan toegestaan, voor zoover het „sans grande discommodité ou cryerie de ceux de dela” (Holland) kon geschieden, Häpke, I no 798, 799. Ook in 1546 had de landsregeering aan de burgemeesters de bevoegdheid gegeven, ingeval zij bij sommige personen teveel graan aantroffen, die ten bate der burgers tot redelijken prijs te verkoopen. Zie bij lage III, no 40. Overigens zat de eerbied voor den privaten eigendom er te diep in, dan dat men vaak tot dit uiterste middel over ging.

  33. 3)

    Vroedschapsresoluties, I f. 160.

  34. 4)

    Häpke, I no 793.

  35. 5)

    T. a. p. Häpke, I no 797, 798.

  36. 6)

    „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, t. a. p., p. 592, noot 5.

  37. 7)

    T. a. p., „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, no 811.

  38. 1)

    T. a. p., „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, no 814.

  39. 2)

    Keurboek F f. 34 vs.

  40. 3)

    Häpke, Ild... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, I no 816 en p. 595 noot 1. Ook van Schotland trachtte men, tegen belofte van uitvoer van meekrap, graan te krijgen; t. a. p. Keurboek F f. 34 vs., p. 614 noot 1. „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, no 814.

  41. 4)

    T. a. p., Häpke, „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, I nos 805, 820 en p. 595 noot 4. Ook van Schotland trachtte men, tegen belofte van uitvoer van meekrap, graan te krijgen; t. a. p. Keurboek F. f. 34 vs.

  42. 5)

    Vroedschapsresoluties, I f. 171, 171 vs.

  43. 6)

    N. Ellinger-Bang, Tabeller enz. p. 20. In April passeerden 352 Westwaarts thuishoorende schepen de Sont in Oostelijke richting, in Mei 218 en in Juni 144; de aanvoer op schepen, die in de Oostzee thuishoorden, was van minder belang; slechts resp. 82 en 89 schepen, Oostwaarts thuis hoorend, passeerden in Mei en Juni 1557 in Westelijke richting de Sont, tegen resp. 166, 455, 189 schepen in de maanden April–Juni, die Westwaarts thuishoorden.

  44. 7)

    Häpke, t. a. p. „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux” I no 821, p. 596 noot 1. Ook van Schotland trachtte men, tegen belofte van uitvoer van meekrap, graan te krijgen; t. a. p. Keurboek F f. 34 vs.

  45. 8)

    „Est le froment bon et beau”, rapporteert men aan den landvoogd; t. a. p. Häpke, „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, I no 825. Ook van Schotland trachtte men, tegen belofte van uitvoer van meekrap, graan te krijgen; t. a. p. Keurboek F f. 34 vs.

  46. 9)

    T. a. p. „Est le froment bon et beau”, rapporteert men aan den landvoogd; t. a. p. Häpke, „... mangent de la dracque, qui est le remanant des brassiers, ce qu'on donne aux pourceaux”, I no 824. Ook van Schotland trachtte men, tegen belofte van uitvoer van meekrap, graan te krijgen; t. a. p. Keurboek F f. 34 vs. Volgens het verhaal van Velius, Chroniek van Hoorn, p. 149, liep oud en jong bij de aankomst der lang verbeide vloot naar de dijken, die zwart van het volk zagen.

  47. 10)

    Häpke, I no 829.

  48. 1)

    T. a. p., Häpke, I no 830.

  49. 2)

    Vroedschapsresoluties, I f. 176.

  50. 3)

    Zie Register van der Goes, 2 Mei 1565–6 Juli 1566, passim.

  51. 4)

    Vroedschapsresoluties, I f. 258; II f. 1 vlg.

  52. 5)

    Zie Graswinckel, Placcaetboeck, p. 84 en bijlage III no 65.

  53. 6)

    T. a. p., Zie Graswinckel, Placcaetboeck, p. 54; bijlage III no 68.

  54. 7)

    In November 1565 werd besloten, dat men met alle „bequame middelen” daartegen zou „resisteeren”; Vroedschapsres., II f. 9 vs.—Voor Amsterdam's houding in de 17e eeuw, toen nog afkeeriger van belemmering van den handel, zie J. G. van Dillen, Duurtemaatregelen, p. 18.

  55. 8)

    Zij ontzagen zich zelfs niet, in 1565 misbruik van hun ambt te maken, door juist vóor het uitvoerverbod van kracht zou worden, hun vrienden te waarschuwen, die dus in de gelegenheid waren hun graan haastig uit de stad te brengen; de andere korenkoopers echter werden door de tengevolge van het uitvoerverbod ingetreden daling der prijzen zeer benadeeld. Zie J. Wagenaar, Amsterdam in zijn opkomst enz., (ed 1762) III p. 137.

  56. 1)

    Zie over het geloof in kometen in verband hiermede: Naudé, Städtische Getreidehandelspolitik, p. 16 vlg.

  57. 2)

    In 1556 bv. werd te Amsterdam een ordonnantie op den graanhandel gemaakt, waarbij o. a. bepaald werd, dat alle graan eerst moest worden omgeroepen. Zie Keurboek F f. 27 vs.

  58. 3)

    Vgl. Unger, Ordonnantiën Leiden, p. 633 (no XV).

  59. 4)

    Vgl. bijlage III no 20 (1521).

  60. 5)

    De Jager, Keuren, p. 179 (art. 5). Ook in 1552, 1556, 1565 en 1571 werden dergelijke bepalingen gemaakt, t. a. p., p. 357, 369, 371, 390.

  61. 6)

    Zie bijlage III no 5 vlg.

  62. 1)

    T. a. p., Zie bijlage III, nos 19, 20, 39, 58, 65, 68.

  63. 2)

    T. a. p. Zie bijlage III, no 25.

  64. 3)

    Dat dezen maatregelen niet zoo geheel zonder uitwerking zijn geweest, als de geregelde herhaling zou doen vermoeden, ziet men uit de goedkeuring, door de gedeputeerden der steden in 1524 daaraan gehecht, die getuigden, dat zij „zeer profytelicken” geweest waren. Zie Register van der Goes, I p. 7.

  65. 4)

    Zie voor de interessante bepalingen te Groningen: A. Telting, Stadboek van Groningen ('s-Gravenhage, 1886 p. 72.

  66. 5)

    Hamaker, Keurboeken, p. 237.

  67. 6)

    Breen, Rechtsbronnen, p. 168.

  68. 1)

    Keurboek F f. 33, Vroedschapsres, I f. 161 vs. Ook in 1546 was een dergelijke maatregel genomen, Keurboek E f. 125, Vroedschapsres. I f. 30.

  69. 2)

    Vroedschapsres. II (Gemeente-archief Gouda) II f. 296. In Haarlem besloot men, toen de duurte geweken was, den burgers voorraadvorming te gelasten, ten einde voor het vervolg te zijn voorzien. Zie Vroedschapsres C (Gemeente-archief Haarlem) f. 190 vs.

  70. 3)

    J. Heinsius, De financiën der stad Gouda in de 15e eeuw (Nijhoff's Bijdragen, IV 3, p. 328 vlg.).

  71. 4)

    Zie 1e Keurboek (Gem.-archief Gouda) art. 145 en Vroedschapsres., II f. 263 vs., 294, III f. 19 vs.; in 1571 werd aan iemand salaris toegekend wegens het bewind, dat hij 5 jaar over de stadsrogge had gevoerd; t. a. p., f. 76 vs.

  72. 5)

    Zie Posthumus, Geschiedenis, I p. 389.

  73. 6)

    Zie Ligtenberg, Armezorg, p. 294 vlg.

  74. 1)

    Zie Unger, Ordonnantiën, p. 639 (no XXIV). In Schoonhoven werd in 1565 de school als korenschuur gebruikt; zie: H. van Berkum, Beschrijvinge der stadt Schoonhoven (Gouda, 1762) p. 383.

  75. 2)

    Keurboek D f. 84.

  76. 3)

    Zie Keurboeken E en G en Vroedschapsres. I en II, passim. Vooral in den winter 1571/72 werd veel — 6 à 700 last-graan ingekocht (t. a. p., II f. 190 vs.).

  77. 4)

    Keurboek D f. 175.

  78. 5)

    Vgl. Keurboek E f. 174 vs. (1552).

  79. 6)

    Keurboek G f. 225 vs. Voor dergelijke misbruiken tijdens het beleg van Leiden, zie: W. S. Unger, De levensmiddelenvoorziening van Leiden tijdens het beleg in 1574 (Tijdschrift voor Geschiedenis enz., XXX (1915) p. 81 vlg.).

  80. 7)

    Vroedschapsres. C en D, (Gemeente-archief Haarlem), passim.

  81. 8)

    Thesauriersrekening 1556 en 1557 (Gemeente-archief Dordt, Inventaris nos (451, 452). Het graan werd tegen lageren dan inkoopsprijs verkocht.

  82. 9)

    Vroedschapsres. (Gemeente-archief Rotterdam) 10 Oktober 1555, 29 December 1556.

  83. 10)

    4e Memoriaal B. Ernst (Algemeen Rijks-archief) f. 89 vs.

  84. 11)

    G. Boomkamp, Alkmaar en deszelfs geschiedenissen (Rotterdam, 1747) p. 127.

  85. 12)

    Haak, Brielle enz., p. 55.

  86. 1)

    Vroedschapsres. I f. 131. In 1561 (t. a. p., f. 227) besloot men van aankoop nog af te zien, daar het koren niet „goed noch gedurig” genoeg was.

  87. 2)

    Vroedschapsres. D f. 70.

  88. 3)

    Vroedschapsres. II f. 199, 202 vs.

  89. 4)

    Bv. voor Leiden: Unger, Ordonnantiën, p. 632 (1521), 652 (no XXVIII) (1571); voor Amsterdam: Vroedschapsres. I f. 150 vs. (1556), Keurboek F f. 154 (1565).

  90. 5)

    Zie de Jager, Keuren, passim.

  91. 6)

    T. a. p., p. 177 (1445). Ook Groningen had een dergelijk permanent uitvoerverbod, zie I. H. Gosses, Stadsbezit in grond en water gedurende de Middeleeuwen (Leiden, 1903) p. 153.

  92. 1)

    Fruin, Rechten, I p. 258.

  93. 2)

    Klepboek, 1438–1474 f. 6.

  94. 3)

    Zie Unger, Ordonnantiën, p. 628. Evenzoo: 1571 (t. a. p., p. 652 no XXVIII).

  95. 4)

    Heinsius, t. a. p., p. 339. In 1489 trachtte men door een verbod van uitvoer van zuivel en turf koren in de stad te krijgen, door alleen op voorwaarde van graaninvoer de uitvoer daarvoor toe te staan; 1e Keurboek, art. 122.

  96. 5)

    Velius, Chroniek, p. 31.

  97. 6)

    Nl. in 1481, 1482 en 1491, zie: Breen, Rechtsbronnen, p. 154, 156, 184 en 251.

  98. 7)

    Zie Graswinckel, Placcaetboeck, p. 43.

  99. 8)

    Vroedschapsres. I f. 158 vs. (Februari 1557).

  100. 9)

    Een chronologisch overzicht van deze en andere landsheerlijke duurte-maatregelen vindt men hierachter in bijlage III.

  101. 1)

    Het oudst bekende dateert voor Holland van 1296; zie van den Bergh, Oorkondenboek, II no 926; herhaaldelijk is ook daarna dit strijdmiddel toegepast.

  102. 2)

    Van Mieris, Charterboek, IV p. 365; bijlage III no 2.

  103. 3)

    Zie: bijlage, III nos 4 en 14.

  104. 4)

    Nl. in 1501, 1520, 1521, 1527, 1532, 1535, 1538, 1542, 1545, 1546, 1551, 1553, 1554, 1555, 1556, 1562, 1565 en 1571; zie bijlage III passim.

  105. 5)

    Zie: van Rees, Staathuishoudkunde, I p. 112 vlg.

  106. 6)

    Zie bijlage III no 55. De voorstelling, die Naudé, Europäische Getreidehandelspolitik, p. 325–326 hiervan geeft, is niet in alle opzichten juist.

  107. 7)

    Höhlbaum, Kölner Inventar, I no 2563; bijlage III no 63.

  108. 1)

    Simson, Danziger Inventar, no 3420; de voorstelling, die de koning van Polen van het verbod geeft, is echter niet geheel juist.

  109. 2)

    T. a. p., Simson, Danziger Inventar, no 3420; de voorstelling, die de koning van Polen van het verbod geeft, is echter niet geheel juist. p. 874.

  110. 3)

    Amsterdam beriep zich op een privilege van 1520 (J. Scheltema, Inventaris van het Amsterdamsch archief, p. 149), waarbij haar de vrije uitvoer van overzeesch graan zou zijn gegarandeerd; dit privilege gaf echter alleen vrijstelling van betaling van het congie-geld.

  111. 4)

    Bv. duurte-advies der Staten, Register van der Goes, 25 November 1556; Amsterdam nam maatregelen, wijl door het „aftrecken” van het aanwezige graan de duurte toenam. (Graswinckel, Placcaetboeck, p. 41). In 1554 waren alle steden voor intrekking van het uitvoerverbod, maar alleen Leiden, welks bevolking meer dan van eenige andere Hollandsche stad van de duurte leed, vreesde daarvan wederom grooten uitvoer en daardoor stijging der graanprijzen. Register van der Goes, 4 September 1554.

  112. 1)

    Graswinckel, Placcaetboeck, p. 1 vlg.

  113. 2)

    Zie hierachter bijlage IV. Ook in 1527 werd deze vrees voor duurte tengevolge van het uitvoerverbod geuit (Register van der Goes, I p. 33); in 1562 vreesde men zelfs van het gerucht alleen reeds stijging der prijzen (t. a. p., 5 September 1562).

  114. 3)

    Zie de bovengenoemde memorie tegen het congie-geld bij Luzac, Holland's Rijkdom, bijlage I; ook: Register van der Goes, 1 Maart 1547. In 1574 ging men zelfs nog verder en werd de stelling omgedraaid: „de uytvoeringhe van eenighe quantiteyt van graenen sal veroorsaecken meerder toevoeringhe ende affluentie van dien”; t. a. p., 26 November 1574. Ook in het middeleeuwsche Lübeck verdedigde een koopman de stelling, dat „da viel Abführ ist, da ist auch viel Zuführ.” Hansen, Beiträge, p. 53.

  115. 4)

    Vooral t. a. p., p. 71, 75, 109.

  116. 1)

    Voor Holland komt daar — tengevolge van het karakter van zijn handel, die tusschenhandel was — nog bij, dat ingeval van belemmering van den uitvoer de vreemde kooplieden gemakkelijk de markt geheel zouden mijden en zich rechtstreeks tot andere landen zouden wenden.

  117. 2)

    T. a. p., Voor Holland komt daar — tengevolge van het karakter van zijn handel, die tusschenhandel was — nog bij, dat ingeval van belemmering van den uitvoer de vreemde kooplieden gemakkelijk de markt geheel zouden mijden en zich rechtstreeks tot andere landen zouden wenden, p. 75.

  118. 3)

    Overigens zijn wij omtrent de gevolgen en de naleving van het uitvoerverbod slecht ingelicht; een verhoor, in 1546 te Delft gehouden naar aanleiding van ontduiking op groote schaal, doet echter vermoeden, dat ook hier de werkelijkheid er eenigszins anders uit zal hebben gezien, dan de voortreffelijke bedoelingen der regeering op papier vermochten voor te stellen. Men beschuldigde toen de brouwers, „groote menichte van tonnen te hebben doen vullen mit coren, welcke tonnen onder 't dexel, dat si mit bier gevult zijn, zijluyden souden hebben doen scepen ende voeren up Ingelandt, oft die vercocht den vreemden coopman, die dezelve buyten slants gevuert hebben”, en uit de verhooren blijkt, hoezeer de getuigen zich wat in de ruimte hielden, wel de juistheid dezer aanklacht. Een der ondervraagde burgers verklaarde nl., dat hij op het erf van een brouwer „groote menichte van pijpen ende groote vaten” heeft zien staan, afwisselend van 20–60 stuks „ende welke pijpen oft vaten hebbende deenen bodem opengeslagen, geboent ende schoongemaickt waeren ende gestelt in de sonne mittet open om te droogen”, waaruit hij de gevolgtrekking maakte, dat men daar koren in liet doen. (Verspreide Collecties (Algemeen Rijks-archief) kamer 11, XIII rood no 52). Ook over de vraag, in hoever na de afkondiging van het verbod nog vóór dien tijd verkochte partijen mochten worden uitgevoerd, zijn weinig gegevens. In 1572 werd een dergelijk verzoek door Alva geweigerd. (Höhlbaum, Kölner Inventar, II no 4).

  119. 1)

    Bovendien, gesteld dat Bunk gelijk had, dan zal toch door dien aanvoer de prijs wel dalen, maar tevens het motief voor verdere aanvoer worden verminderd of wegvallen.

  120. 2)

    J. G. van Dillen, Duurtemaàtregelen, p. 22. Zie ook: Ashley, English Economic history, II p. 38, die voor den tijd, waarin de handel betrekkelijk zoo weinig ontwikkeld was, dat een paar handige kooplieden gemakkelijk een monopolie konden maken, de magazineering door de overheid, die goedkooper dan de particuliere handelaars kond koopen, een „policy of great practical wisdom” noemt.

  121. 1)

    Zie bijlage, III nos 5, 14, 29, 40.

  122. 2)

    T. a. p. Zie bijlage, III nos 1, 3, 4.

  123. 3)

    T. a. p. Zie bijlage, III no 5 vlg.

  124. 4)

    Enschedé, Index, p. 1. Ook in 1407 was verboden, rogge voor het brouwen te gebruiken; het is mogelijk, dat het hier een technische maatregel geldt, maar de tijd, waarin zij genomen werd, doet wel aan sparing der rogge denken. Vgl. Huizinga, Rechtsbronnen, p. 118.

  125. 5)

    Vroedschapsres. B f. 75 vs. In 1566 werd zelfs het mouten van gerst verboden, Vroedschapsres. D. f. 43 vs.

  126. 6)

    Bijlage III nos 40, 66. In 1556 werd alleen het verbrouwen van graan, ongeschikt om te worden verbakken, toegestaan; zie Graswinckel, Placcaetboeck, p. 18 vlg.

  127. 7)

    Zie het plakkaat van 31 December 1556 bij Graswinckel, t. a. p. en het advies der Staten, Register van der Goes, 25 November 1556.

  128. 1)

    Bijlage, III no 40.

  129. 2)

    Enschedé, Index, p. 89.

  130. 3)

    Vooral in den Briel was het geoorloofd aantal gasten bij bruiloften enz. reeds in de 14e eeuw vastgesteld (zie de Jager, Keuren, p. 25 en 29; in 1445 een ordonnantie om te beletten „grote lastige oncosten”, p. 191). Voor Dordt, zie Fruin, Rechten, I p. 247 (1437). Maatregelen als deze geven ons een blik in de oorzaken der middeleeuwsche, en ook wel latere, weeldewetgeving. In eerste instantie bedoelen zij beperking der productie en ook van de consumptie van zaken, dienende tot bevrediging der verfijnder levensgenietingen, ten einde de beschikbare krachten op de vervaardiging van noodzakelijke artikelen te kunnen concentreeren of de grondstoffen daarvoor te sparen. Zij golden dan ook aanvankelijk alleen ten aanzien van levensmiddelen en zijn vandaar uit op andere behoeften, bv. van kleeding, overgebracht, zonder dat men zich van de oorspronkelijke gronden altijd rekenschap gaf. Vgl. Herzog, Lebensmittelpolitik Strassburg, p. 31 noot 3.

  131. 4)

    ... „opdat die armen wat goetcoop broots souden mogen hebben”; zie Unger, Ordonnantiën, p. 635, 636 (nos XX en XXI).

  132. 5)

    Bv. Haarlem in 1557; zie: Enschedé, Index, p. 95; Amsterdam in 1485, zie Breen, Rechtsbronnen, p. 212. In den Briel echter gebeurde in 1491 een wonder; juist toen men „processie droeg ende bade onsen lieven Heere, dat hij koorn wilde verleenen”, kwamen 2 schepen met graan binnen, waardoor de regeering de burgers kon helpen! Zie Haak, t. a. p., p. 55.

  133. 1)

    Zie voor Duitschland in het algemeen: Naudé, Städtische Getreidehandelspolitik, p. 20; voor Hessen: Schultze, Vierteljahrschrift, XI (1913) p. 188 vlg. Voor Straatsburg: Herzog, t. a. p. 13, voor Zürich: Heidinger, t. a. p., p. 7 vlg.; en voor Engeland: Ashley, Economic History, II p. 33 vlg.

  134. 1)

    Bewerkt naar het register van Jasper Anraet, collecteur van den tol van Geervliet, bewaard op het Algemeen Rijks-archief te 's-Gravenhage (Verspreide Collecties, kamer 11 no. XIII rood no. 52). Daar hierbij alleen is opgegeven de hoeveelheid, waarvan certificatie is gegeven, is er in werkelijkheid dus waarschijnlijk meer uitgevoerd.

Download references

Rights and permissions

Reprints and Permissions

About this article

Cite this article

Unger, W.S. De Hollandsche Graanhandel en Graanhandelspolitiek in de Middeleeuwen. De Economist 65, 461–488 (1916). https://doi.org/10.1007/BF02204978

Download citation