Advertisement

Springer Nature is making SARS-CoV-2 and COVID-19 research free. View research | View latest news | Sign up for updates

Eene munt in ned. Indie?

This is a preview of subscription content, log in to check access.

Literatur

  1. 1)

    Ook omstreeks het midden der 19de eeuw heeft dit reeds een onderwerp van uitvoerige schriftelijke bespreking uitgemaakt, nadat de Heer H. J. Lion, redacteur van het Bataviaasch Handelsbald in 1857 en volgende jaren op min of meer heftige wijze telkens weder op de oprichting eener Munt aandrong. Bestreden is toen dit denkbeeld, met zeer veel succes, door Mr. N. P. van den Berg, destijds jong ambtenaar bij de Factorij der Nederlandsche Handel-Maatschappij, die met zijn “Beschouwingen over den geldsomloop in Ned. Indië» in 1862 de reeks voortreffelijke studies op het gebied van handel en economie begon, welke later uit zijn pen zijn gevloeid. (Men zie o.a. “Een verouderd Vraagstuk” en “Een min of meer actueel vraagstuk”, door Mr. N. P. van den Berg, Juni–Juli afleveringen van “De Indische Gids” 1912). Niet onopgemerkt moge hier blijven, al zij het ten overvloede, dat destijds gansch andere motieven voor de oprichting werden ter sprake gebracht dan thans het geval is.

  2. 2)

    Mr. G. Vissering, Muntwezen en circulatiebanken in Ned. Indië, Amsterdam, 1920, (Hoofdstuk X). Mr. J. Westerman Holstyn, Eenige Indische muntquesties. Koloniale studiën, April-nummer 1920.

  3. 3)

    Het denkbeeld van een reserve aan grof zilver is wel eens in Indië geuit, doch de voorwaarde werd er aan verbonden, dat deze door Nederland zelve zou worden aangelegd en voor eventueel Indisch gebruik afgezonderd. Men was klaarblijkelijk nog te bang om voor de Indische circultiebelangen zelfstandig maatregelen te treffen.

  4. 4)

    Zilveren pasmunt is hierbij inbegrepen. Slechts deze totalen worden in de wekelijksche overzichten in de jaarverslagen der Bank vermeld.

  5. 5)

    Een bekend voorbeeld is de terugneming van de aanmunting van 9,5 millioen guldens in December 1913.

  6. 6)

    De Javasche Bank wilde dekking op dezelfde wijze (tot 20%) als van haar bankpapier, doch de Regeering in Nederland vond dit onnoodig. (Verslag Javasche Bank, 1917/18, blz. 45). Men vergelijke ook het belangrijke artikel van Dr. G. M. Verrijn Stuart in de laatste April-aflevering van dit tijdschrift.

  7. 7)

    De uitgifte was, tegen veler verwachting, een groot succes, (W. H. t. a. p. blz. 192). Hier en daar deden de biljetten zelfs agio. (Verslag Javasche Bank 1919/20, blz. 37).

  8. 8)

    Alvorens men weder tot intrekking overgaat, zou het m. i. zeer gewenscht zijn zorgvuldig te overwegen of het niet beter ware het f 2,50-papier te behouden.

  9. 9)

    Het heeft mij wel eens toegeschenen, en in het artikel van den Heer Westerman Holstyn wordt ook een enkele aanduiding in die richting gegeven (t. a. p. blz. 201), dat men in den waan verkeert alsof er een zekere achteruitstelling zou bestaan van de belangen van het Indische bij die van het Nederlandsche Muntwezen, voor zoover de arbeid van 's Rijks Munt daarop betrekking heeft. Als die opvatting in sommige kringen bestaan heeft of nog bestaat, dan moge hier de verklaring worden afgelegd, dat zij inderdaad ongegrond is. Niet alleen worden die belangen steeds zooveel mogelijk tegen elkander afgewogen, eigenlijk wordt steeds in de voornaamste plaats rekening gehouden met de Indische behoeften. Dit kan ook zonder groot bezwaar, omdat aan de behoeften van de zooveel kleinere Nederlandsche circulatie in het algemeen veel gemakkelijker kan worden voldaan. In oorlogstijd zijn er zeker struikelblokken geweest, doch deze moeten, behalve aan den ongewonnen tijd, toch voor een deel ook aan de opdrachten uit Indië zelf worden toegeschreven. Het schijnt, dat men daar niet voldoende onder den indruk verkeerde, dat het voor een goede leiding van een bedrijf, waar dit ook moge zijn gevestigd, ten zeerste noodig is, dat er niet te groote onzekerheid bestaat omtrent de in de naaste toekomst te verwachten werkzaamheden. Aan niet vaststaande opdrachten heeft men zeer weinig en voortdurende wijzigingen kunnen ten slotte een goeden gang der bedrijfszaken haast ondoenlijk maken.

  10. 10)

    Vandaar ook, dat er zooveel gewicht moet worden gehecht aan tijdige bekendheid met de voornemens, die er in dit opzicht bestaan.

  11. 11)

    De Heer Vissering, (t. a. p. blz. 379) beaamde dit reeds: “Een “eigen Muntinrichting ... zou zeer kostbaar zijn, vooral in het beheerend “en technisch personeel.”

  12. 12)

    De Utrechtsche Munt heeft gekost ±f 990.000; zij dateert echter uit den tijd vóór 1911. In genoemd bedrag zijn enkele uitbreidingen in latere jaren inbegrepen.

  13. 13)

    Deze en volgende statistieken zijn ontleend aan de Jaarverslagen van den Directeur der U. S. Mint.

  14. 14)

    Ever since the discovery of the vast deposits in South America by the Spaniards, the nations of the East, especially India, have attracted a glistening stream of precious white metal, which, in the very act of flowing, has disappeared as imperceptibly as a cliff rivulet sinks into the sands of the seashore. (Silver, its history and romance, by Benjamin White, 1917).

  15. 15)

    Wat wordt het overheidsbedrijf in dit opzicht dikwijls ten onrechte miskend l.

  16. 16)

    Er moge nog worden afgezien van de moeilijkheden, die men zou ondervinden bij toepassing onzer strenge eischen op het gebied van levering van muntmetaal; in Europa verkeert men in het algemeen ook in dit opzicht in gunstiger condities.

  17. 17)

    In een artikel in het Koloniaal Tijdschrift No. 1, 10e Jaargang, over “De ontwikkeling van het indische muntwezen sedert de 19e eeuw” bespreekt de Heer H. G. F. van Huls, Contrôleur Binnenlandsch Bestuur, ook het hier behandeide onderwerp. Hij blijkt voorstander te zijn van de oprichting eener Munt in Ned. Indië, zonder echter daarvoor andere argumenten bij te brengen, dan degene, welke in dit artikel reeds aan een beschouwing zijn onderworpen.

  18. 18)

    Men zie de verschillende “Mededeelingen van de Commissie tot ontwikkeling van de Fabrieksnijverheid in Ned. Indië,” en in het bijzonder ook het zakelijke, aan inhoud en opbouwende kritiek rijke Prae-advies van Jhr. J. C. van Reigersberg Versluys over de fabrieksnijverheid in Indië, aan de Vereeniging voor studie van Koloniaal-maatschappelijke vraagstukken in 1917 uitgebracht.

Download references

Rights and permissions

Reprints and Permissions

About this article

Cite this article

Hoitsema, C. Eene munt in ned. Indie?. De Economist 70, 755–779 (1921). https://doi.org/10.1007/BF02203772

Download citation