De Economist

, Volume 85, Issue 1, pp 643–647 | Cite as

Aanteekeningen over de Relativiteit der Geldwaarde

  • R. van Genechten
Article
  • 11 Downloads

Preview

Unable to display preview. Download preview PDF.

Unable to display preview. Download preview PDF.

Literature

  1. 1).
    Prof. Stuart Sr. zegt, Ec. 1935, pag. 876, dat hij niet kan begrijpen hoe ik accoord kan gaan met de stelling van Prof. G. M. Verrijn Stuart dat neutraliteit van het geld neerkomt op waardevastheid daarvan. Hierbij ligt een misverstand vòòr. Neutraal is, zooals ik schreef op pag. 707, naar mijne meening het geld, wanneer de ruilverhoudingen in de maatschappij met geldverkeer zich voltrekken als in èène waar uitsiuitend goederenverkeer bestaat, d.w.z. wanneer de geldvoorraad zich aanpast aan de geldbehoefte, dan heeft het geld tevens een vaste ruilwaarde. Nu kan ik onder objectieve ruilwaarde niets anders verstaan dan prijs, zooals ook Prof. Stuart Jr. steeds doet, die dan ook het geheele begrip objectieve ruilwaarde, m.i. terecht, overbodig acht (zie Econ. 1918 p. 202). In zoover ben ik het met Prof. Stuart Jr. eens. Wanneer deze echter (pag. 696) een vaste ruilwaarde in het geld ontdekt, die iets anders is dan de prijs, nl. een vaste innerlijke ruilwaarde, om in zijne terminologie te spreken, ben ik het niet meer met: hem eens. Ook hier zou weer de discussie over het waardebegrip opheldering kunnen brengen.Google Scholar

Copyright information

© De Erven F. Bohn N.V. 1936

Authors and Affiliations

  • R. van Genechten

There are no affiliations available

Personalised recommendations