Dth
, Volume 17, Issue 4, pp 142-149

Langdurige imaginaire exposure als behandelmethode voor PTSS: effectiviteit en mislukkingen

Rent the article at a discount

Rent now

* Final gross prices may vary according to local VAT.

Get Access

Samenvatting

In dit artikel worden de eerste resultaten gepresenteerd van een onderzoek naar de effectiviteit van een gedragstherapeutische behandeling van patiënten met een posttraumatische stress–stoornis. De behandeling bestond uit langdurige imaginaire exposure bij patiënten met uiteenlopende achtergronden wat betreft hun traumatisch verleden. Aangetoond werd dat de exposure–behandeling zeer effectief is: de PTSS–symptomen, maar ook algemene (angst)klachten, namen significant af in relatief korte tijd. Van de vijftien behandelde patiënten profiteerden vier echter niet van de behandeling. Deze vier patiënten worden kort beschreven en in een nabespreking worden factoren die mogelijk hebben bijgedragen aan het mislukken besproken. Als conclusie wordt betoogd dat waarschijnlijk niet deze afzonderlijke factoren voorspellende waarde hebben voor het resultaat van de behandeling, maar dat ze gemedieerd worden door de activatie en vervolgens daling van de angst tijdens de exposure–sessies. Dat proces wordt voorlopig als bepalend beschouwd voor het welslagen van de behandeling.

Abstract

In this article preliminary results are presented of a study into the effectiveness of a behavioural treatment–program of PTSD–patients. Treatment consisted of prolonged imaginair exposure–sessions with patients who had varied traumatic histories. The exposure treatment showed to be highly effective: a significant reduction of PTSD–symptoms and global (anxiety) symptoms was found. However, four of the fifteen treated patients did not improve. Case–descriptions of these patients are given, and possible factors contributing to the failure of treatment are discussed. Finally, it was stated that it is likely that not those separate factors are correlated with treatment outcome, but that they are mediated by activation and subsequent deactivation of fear. For the time being, that process is held to be crucial for successful treatment.

Dr. A. van Minnen is als ‘post–doc’–medewerker verbonden aan de Vakgroep Klinische Psychologie en Persoonlijkheidsleer van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Drs. I. Hopman is waarnemend hoofd van de Angstpolikliniek van het Psychiatrisch Centrum Nijmegen. Drs. M. Hagenaar is als psychotherapeut in opleiding werkzaam op het Ambulatorium Psychologie Nijmegen en HSK Nijmegen. Drs. M. Verbraak is hoofd van de Angstpolikliniek van het Psychiatrisch Centrum Nijmegen. Dr. G. Methorst is partner van de maatschap Hoogduin Schaap en Kladler en hoofd van de vestiging HSK–Vlaardingen. Correspondentie: Dr. Agnes van Minnen, Vakgroep Klinische Psychologie, Katholieke Universiteit Nijmegen, Postbus 9104, 6500 HE Nijmegen. Telefoon: 024–3612154, fax: 024–3615594,